Geschiedenis van Amsterdam

Van Toerisme

Ga naar: navigatie, zoek

City Info

De Amsterdamse geschiedenis gaat in tegenstelling tot andere grote steden niet zo ver terug. Formeel begint de geschiedenis van deze prachtige stad zo'n 700 jaar geleden.

De vroegste geschiedenis van de stad Amsterdam is een verhaal van kleine nederzettingen en, hoe kan het ook anders, een voortdurende strijd tegen het water. Eigenlijk bestond het vroege Amsterdam uit drie nederzettingen die in de loop der decennia naar elkaar toe waren gegroeid en verbonden waren geraakt.

De oudste nederzetting in de buurt van het huidige Amsterdam was het plaatsje Aem(e)stelle (het huidige Ouder- kerk). Het was echter noordelijk van Aemstelle dat het huidige Amsterdam zou ontstaan: hier ontstonden enkele gehuchten die later tesamen Amsterdam zouden gaan vormen. Zij lagen in het stroomgebied van twee rivieren, de `Boerenwetering' en de `Amstel' (toen nog de 'Ammerak' geheten). De eerste nederzetting, opnieuw een'aemrik', was het Hemelrijk. Dit bleef echter lang een klein en onbelangrijk dorp. In die tijd, de vroege middeleeuwen was Aemstelle belangrijker: daar was een kerk en ging men naar de markt.

Een aantal waterwerken moesten dit gehucht, en de landen van de bisschoppen van Amsterdam en de graven van Holland in het algemeen, beter beschermen tegen het water en de verschillende stromen onder controle brengen. De eerste waterwerken dateren vermoedelijk van begin 12e eeuw. Eind 12e, begin 13e eeuw werd zuidelijk van het IJ, waar de Boerenwetering en de Amstel in uitmondden, een heuse waterkering aangelegd. Rond 1220 werd begonnen met de afdamming van de rivier de Spaarne en later de Amstel. Deze laatste dam werd oostelijk en noordelijk van het Hemelrijk aangelegd: deze dam werd de 'aemsterdam' genoemd. Aangezien het veilig verblijven was rond deze dam ontstond daar een nieuwe buurt, vlakbij het Hemelrijk.

Een derde buurt ontstond, toen er meer inwoners kwamen, aan de overkant van het huidige damrak, en destijds de rivier de Amstel. Deze drie buurten vormden uiteindelijk de stad Amsterdam. In 1275 verleende graaf Floris V van Holland een tolprivilege aan de `lieden wonende te Aemstelledam'. Gemakshalve wordt daar dan ook het beginjaar van stad Amsterdam gelegd (dit privilege had trouwens niets te maken met de positie van de stad in de regio maar was toegekend door Floris V als boetedoening voor het feit dat hij de stad eerder dat jaar geplunderd had!). Wanneer precies de inwoners zelf van Amsterdam als één stad, en geen losse buurten, gingen spreken is onduidelijk maar dat is zeker eerder geweest, waarschijnlijk al vrij snel nadat de dam van 1220 het centrale punt was geworden. Omstreeks 1300 verkreeg Amsterdam stadsrecht en vanaf 1317 hoorde de stad officieel bij het graafschap Holland, waar het later een belangrijke rol zou gaan vervullen.

De oude stad was dus gelegen rond het Damrak en tussen de huidige Oude en Nieuwe Zijds Voorburgwal. In de loop der eeuwen voltrok zich een voortdurende stadsuitbreiding die haar voorlopige hoogtepunt vond in het stadsuitbreidingsplan van 1612. De uitbreiding, met in halve cirkels aangelegde grachtengordels, werd in de loop van de 17e eeuw gerealiseerd.

Economie

In economisch opzicht maakte Amsterdam vanaf het begin een voorspoedige ontwikkeling door. Rond 1323 werd de tol voor de invoer van bier uit Hamburg te Amsterdam gevestigd en daarmee begon de vrachtvaart op Hamburg. Later werd die handel onderdeel van de handel tussen het Oostzeegebied en Vlaanderen waarbij Amsterdam de belangrijkste schakel was. Amsterdam werd opslaplaats voor graan dat uit het Oostzeegebied afkomstig was en zo werd de stad in de 15e eeuw al de graanschuur voor de noordelijke Nederlanden. Daarnaast was ook de handel met het Rijnland belangrijk.

In de 16e eeuw stagneerde de handel enigszins gedurende de strijd tussen Alva en de opstandige Hollanders. Amsterdam was in 1567 door Alva bezet. Tussen 1572 en 1578 werd de stad belegerd door opstandelingen. De Amsterdamse regenten waren grotendeels Spaansgezind, maar werden uiteindelijk gedwongen zich aan te sluiten bij de prinsgezinden, een gebeurtenis die bekend staat als de Satisfactie van Amsterdam. De katholieken was daarbij godsdienstvrijheid toegezegd als de stad de zijde van de prins koos. Bij de zogenaamde Alteratie in mei 1578 werden de oude Spaansgezinde regenten- families vervangen door prinsgezinde bestuurders.

De zuidelijke Nederlanden waren echter in Spaanse handen. De verovering van Antwerpen door de hertog van Parma (de Spaanse landvoogd in de Neder- landen van 1578 tot 1592) in 1585 betekende een grote impuls voor Amster- dam. De geuzenvloot sloot de Schelde af waardoor de zo belangrijke handelsstad werd lamgelegd. Amsterdam nam een deel van de Antwerpse handel over. Belangrijk was dat vele vluchtelingen, waaronder handelaren, zich in Amsterdam vestigden en hun contacten en kennis betekenden een extra grote economische impuls. Eind 16e, begin 17e eeuw vond dan ook een grote economische expansie plaats. De belangrijkste handelstakken waren de Oost- zeehandel, de handel met Rusland en de Straatvaart (de handel op Italië en de Levant). Deze periode kenmerkte zich ook door de opkomst van de eerste financiële instellingen, zoals de Amsterdamsche Wisselbank (1609), die al snel een belangrijke internationale rol zou gaan vervullen. Dat gold op handelsgebied ook voor de in 1611 opgerichte Amsterdamse Koopmansbeurs.

Tot 1648 zou de grote expansie voortduren. In dat jaar werd ook de 80- jarige oorlog beëindigd middels de vrede van Munster. De Republiek werd officieel erkend door de Spanjaarden en, belangrijk voor Amsterdam, zij accepteerden ook de Nederlandse tolheffingen bij de Schelde, waardoor de Antwerpse haven in toom werd gehouden. In de periode tot 1680 vond echter wel een stagnatie plaats. In de daaropvolgende periode, tot in de eerste decennia van de 18e eeuw vond weer een geleidelijke economische groei plaats in bepaalde sectoren van de handel. Die stagneerde vervolgens weer enigszins en die lagere conjunctuur duurde voort tot het einde van de 18e eeuw. Al deze economische ontwikkelingen kunnen enigszins ge‹llustreerd worden met de demografische ontwikkeling van de stad Amsterdam.

In de loop van de 17e en 18e eeuw was Amsterdam ook een belangrijk financieel centrum geworden, het centrum van de wereld in dat opzicht, met de gulden als belangrijkste munt. Speculatie en onzorgvuldig beheer leidden in 1763 en 1773 echter tot een beurscrisis. Toch zouden die nog niet de definitieve val van Amsterdam betekenen. Amsterdam was zolangzamerhand echter ook slachtoffer van haar eigen succes geworden. De bestaande economische structuren functioneerden weliswaar nog steeds goed, maar bleken maar moeilijk veranderd te kunnen worden. Met name Engeland kwam nu op en paste zich veel sneller aan aan nieuwe ontwikkelingen in het zich ontwikkelende kapitalistische handelssysteem. De Amsterdamse stapelmarkt had aan betekenis verloren en daarmee de rol van de stad als tussenhan- delsstation. En dat was van oudsher een belangrijke pijler onder de economische basis van de stad.

De Vierde Nederlands-Engelse Zee-oorlog (1780-1784) en de afsluiting van Amsterdam gedurende de revolutie van 1795 en de inlijving bij Frankrijk betekenden de val van Amsterdam als centrum van de wereldhandel. De macht op zee was inmiddels door de Engelsen overgenomen, die de Nederlandse positie, met name in de West-Indische gebieden ernstig hadden aangetast. Amsterdam zou haar positie als economisch middelpunt van de wereld nooit meer terugkrijgen (hetgeen in de oudere literatuur nogal eens aanleiding is voor nostalgische bespiegelingen over de vroegere positie van de stad, bij voorkeur ge‹llustreerd met enkele citaten van Vondel). Gedurende de Franse tijd verging het Amsterdam in economisch opzicht dus slecht. Pas in het midden van de 19e eeuw was sprake van een opleving die o.a. gestimu- leerd werd vanaf 1876 door de opening van het Noordzeekanaal. De 19e eeuw verliep dus iets gunstiger in economisch opzicht, maar van enige vroegere grandeur was natuurlijk geen sprake meer.

Bestuur

De politieke constellatie waarin Amsterdam zich in internationaal opzicht bevond is in verschillende opzichten van groot belang geweest voor de ontwikkeling van de stad. Dat gold zowel voor de economische als de politiek-bestuurlijke ontwikkeling. Een voorbeeld van het eerste was de afsluiting van de Schelde en daarmee Antwerpen en de economische impuls die dat voor Amsterdam betekende. Maar ook in bestuurlijk opzicht waren internationale ontwikkelingen van belang voor de stad. Amsterdam was door de eeuwen heen een door regenten bestuurde stad gebleven, meestal leden van een beperkt aantal aanzienlijke families. Gedurende de Alteratie werden weliswaar de Spaansgezinde regenten vervangen door prinsgezinden maar dat kwam eigenlijk neer op een machtswisseling tussen gelijksoortige elites. Aan deze regentencultuur kwam een einde een definitief einde met de Franse oorlogsverklaring aan stadhouder Willem VI in 1793 en de Franse aanval op de Republiek in 1795. Op 19 januari 1795 vond een democratische omwenteling plaats in Amsterdam en verdween de heerschappij van de regen- ten voorgoed. Meer belangrijke ontwikkelingen volgden: na de periode van de Bataafse Republiek (1798-1806) kwam het koningschap van Lodewijk Napoleon, die Amsterdam tot hoofdstad van het nieuwe koninkrijk maakte. De kortstondige bezetting van het koninkrijk door Napoleon (1810-1813) werd gevolgd door het koningschap van Willem I, die ook het burgemeestersschap invoerde in de stad.

Arm en rijk

Gewoonlijk wordt er vooral gekeken naar de belangrijke positie van Amster- dam en haar grote bloei gedurende de Gouden Eeuw (die vooral betrekking heeft op de bloeiperiode aan het einde van de 16e eeuw en eerste helft van de 17e eeuw). Amsterdam was toen en ook later nog een economische en financi‰le grootmacht. Dat heeft echter nooit betekend dat die welvaart over allen werd verdeeld. De term `Gouden Eeuw' komt in een wat ander daglicht te staan als gekeken wordt naar armoede in die periode en die was ook groot. De voorzichtige economische opleving aan het einde van de 17e en het begin van de 18e eeuw werd zelfs zeer duidelijk gekenmerkt door grote armoede. De aantallen vondelingen, bedelaars en de toename van de misdaad zijn daar voorbeelden van. Ook zijn er in de 17e en 18e eeuw een aantal grote oproeren geweest die getuigen van de zeer ongelijke wel- vaartsverdeling. Een goed voorbeeld is het Aansprekersoproer van 1696. Het stadsbestuur had besloten de wildgroei in begrafenisondernemers in de stad aan banden te leggen. Begrafenissen waren vaak zeer kostbaar en de ondernemers, de zogenaamde aansprekers opereerden zonder enig toezicht. Zij maakten grote winsten zonder dat de stad daar iets van terug zag. De genomen maatregelen zouden het aantal aansprekers drastisch beperken en zij kwamen in verzet. Dat gebeurde o.a. door onder de arbeidersbevolking geruchten te verspreiden over de ongunstige effecten van de maatregelen op hun begrafenissen. Van die geruchten klopte weinig maar ze hadden een groot effect: uiteindelijk ontlaadde de volkswoede zich in een serie rellen waarbij onder andere enkele regentenwoningen werden vernield. Het oproer maakte duidelijk hoeveel onvrede er onder de armen bestond. Kort overzicht van de 20e eeuw

Het economisch herstel aan het eind van de 19e eeuw zette zich voort in het begin van de 20e eeuw. De crisis in de jaren '30 kwam echter hard aan. Tot de Tweede Wereldoorlog ging het dan ook slecht in economisch opzicht. De oorlog zelf had ook nadelige effecten. Belangrijker en dramatischer was natuurlijk het feit dat een groot deel van de Amsterdamse joden werd weggevoerd.

De naoorlogse ontwikkelingen in Amsterdam zijn vooral in maatschappelijk opzicht roerig geweest. Het economisch herstel verliep redelijk voorspoedig: belangrijk waren de opening van het Amsterdam-Rijnkanaal en de uitbreiding van de haven. Op het gebied van stadsuitbreiding was de bouw van de Bijlmermeer, vanaf 1966, een belangrijke gebeurtenis. In de jaren '60 ontstond ook de provo-beweging, een ludieke maatschappelijke protestbeweging. Veel grimmiger van aard waren de acties die bij het huwelijk van kroonprinses Beatrix en prins Claus werden gevoerd. Amsterdam deelde in dat opzicht in de internationale emancipatiestrijd van jongeren en de democratiseringsgolf die onder andere de universiteiten overspoelde. Die vernieuwende impulsen bleven Amsterdam ook na de jaren '60 kenmerken, met name in cultureel opzicht. Ook de succesvolle emancipatiestrijd van de homobeweging en de internationale jongerencultuur maakten Amsterdam geliefd bij velen (en niet tot onverdeeld genoegen van bestuurders). En als iets de stad op dit moment kenmerkt en uniek maakt dan is het wel de enorme (multi)culturele diversiteit.

Aspecten/acties
Persoonlijke instellingen